FAQ

Hieronder vindt u een lijst van frequently asked questions (veelgestelde vragen) aangaande de behandeling van patiënten met claudicatio intermittens met de antwoorden van ons expertpanel.

  1. Zakkende ACSM-score

    Vraag

    Mevr. B. krijgt op ongeveer 6 minuten lopen een ACSM-score van 3, als zij doorloopt zakt de score naar ACSM 2 en kan ze met deze score wel 20 minuten doorlopen. Kan dit doorlopen extra schade aanrichten?

     

    Antwoord

    Nee, voor haar perifeer arterieel vaatlijden kan dit geen kwaad. Er dient wel gelet te worden op eventuele aanwezigheid van andere aandoeningen.

  2. Pijnvrije loopafstand wisselend per dag

    Vraag

    Ik krijg van verschillende patiënten te horen dat ze de ene dag (bijv.) 15 minuten pijnvrij achter elkaar kunnen lopen en dat ze de andere dag maar (bijv.) 3 minuten kunnen lopen. Is er een verklaring voor dit wisselende beeld per dag?

     

    Antwoord

    Dit is een bekend fenomeen van het ziektebeeld. De verklaring is (nog) niet goed beschreven in de literatuur. Wel weten we, dat er tot 50% verschil tussen twee objectief gemeten loopafstanden bij één en dezelfde patiënt kan zitten. De verschillen in maximale loopafstand van dag tot dag zouden te maken kunnen hebben met externe factoren zoals het weer (temperatuur, wind), de ondergrond van het lopen, de voorafgaande fysieke activiteit voordat men maximaal gaat lopen of de snelheid van het lopen, maar ook psychologische factoren als afleiding, pijnbeleving en interne motivatie spelen mee.

  3. Kan ik met de loopsnelheid afwijken van het protocol?

    Vraag

    Op welke manier mag ik afwijken van de loopsnelheid van 3,2 km/h?

     

    Antwoord

    Het klopt dat de loopbandtest in principe op een snelheid van 3,2 km/h wordt uitgevoerd met bij start een hellingshoek van 0%. Iedere 2 minuten wordt de hellingshoek vergroot met 2%, tot een maximum van 10% (na 10 minuten).
    Er zijn echter altijd patienten die om diverse redenen (comorbiditeit, conditie) deze snelheid niet prettig vinden. Er mag dan van het 3,2 protocol afgeweken worden door de snelheid met 1,2 km/h te verhogen of te verlagen, dus respectievelijk naar 2,0 km/h of 4,4 km/h. Het opvoeren van de hellingshoek blijft gewoon iedere 2 minuten met 2%. Let wel op dat u bij ieder meetmoment dezelfde snelheid gebruikt.

  4. Wanneer kiest de vaatchirurg voor een interventie?

    Vraag

    Wanneer opereert de vaatchirurg? Wat zijn de afwegingen, wat is het klinische beeld, wat is de subjectieve beleving van de patiënt?

     

    Antwoord

    Leidend in deze beslissing is de mate van (subjectieve) invalidering van de patiënt, afgezet tegen de reeds ondernomen stappen binnen het conservatieve traject. Daarbij valt te denken aan stoppen met roken, gemotiveerd en volledig doorlopen traject van gesuperviseerde looptherapie in relatie tot werk, leeftijd en al dan niet aanwezige co-morbiditeit. Overigens is eerste keus van een invasieve interventie (dus als bovenstaande is gerealiseerd) een minimaal invasieve interventie ('dotter', rekanalisatie al dan niet met stentplaatsing). Indien dit niet mogelijk is wordt gekozen voor een veneuze (autologe) bypass. Een kunststof bypass voor claudicatio intermittens is, op een zeer zeldzame uitzondering na misschien, eigenlijk obsoleet.

  5. ClaudicatioNet en andere netwerken

    Vraag

    In hoeverre ziet ClaudicatioNet zichzelf als platform voor andere indicaties, zoals DM, hartfalen en COPD?

     

    Antwoord

    Wij richten ons op dit moment primair op de zorg voor patiënten met perifeer vaatlijden. ClaudicatioNet realiseert zich dat een gezamenlijk platform voor chronische aandoeningen in de toekomst een reële mogelijkheid is, en staat hier dan ook positief tegenover.

  6. Verwijzing door huisarts

    Vraag
    Is het mogelijk dat een patiënt met CI wordt doorverwezen door de huisarts? Accepteert de zorgverzekeraar deze verwijzing?

     

    Antwoord

    Ja, ook de huisarts kan en mag patiënten met CI doorverwijzen voor GLT. Zorgverzekeraars accepteren een verwijzing via de huisarts.

     

    De huisarts kan de enkel-armindex (laten) bepalen in de eigen praktijk of bij een vaatfunctieafdeling in een diagnostisch centrum.

    Zoals de huisartsenrichtlijn (NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden) beschrijft, kan chronisch obstructief arterieel vaatlijden op basis van anamnese en lichamelijk onderzoek slechts bij een kleine groep patiënten met grote zekerheid worden aangetoond. Typische claudicatioklachten alleen zijn niet bewijzend. Bij een vermoeden van chronisch obstructief vaatlijden is bepaling van de enkel-armindex in de volgende gevallen aangewezen:

    • klachten van claudicatio intermittens;
    • huidtemperatuur van één voet duidelijk lager dan van de andere voet;
    • afwijkende pulsaties van de a. tibialis posterior en/of a. dorsalis pedis aan een voet;
    • souffle bij auscultatie van de a. femoralis.

  7. Diagnosecodes voor zorgverzekeraars

    Vraag
    Welke diagnosecode gebruiken bij welke verzekeraar?


    Antwoord
    De veel gebruikte diagnosecode voor claudicatio intermittens is 9248. Bij De Amersfoortse en Menzis is de code niet meer geldig, omdat deze te algemeen is. Indien u met deze code declareert zal de ingediende nota afgewezen worden.


    Op de volgende codes kunt u de behandelingen GLT bij claudicatio intermittens wel declareren bij de betreffende verzekeraars:
    6948: Gecombineerd Bekken/Bovenbeen
    7948: Gecombineerd Knie/Onderbeen/Voet

  8. Declareren tweede behandeltraject gesuperviseerde looptherapie

    Vraag
    Ik krijg van de zorgverzekeraar te horen dat een tweede behandeltraject gesuperviseerde looptherapie voor een patiënt niet wordt vergoed. Waarom niet?


    Antwoord
    Zorgverzekeraars zijn vrij om te bepalen of ze de vergoeding meer dan eens per mensenleven uitkeren. Sommige zorgverzekeraars zijn hier vrij strikt in en zeggen zoiets als 'Eenmaal geleerd moet de kennis er zijn. Dit geldt ook als het andere been is aangedaan'.
    Andere zorgverzekeraars zijn soms wat milder en dan kan het helpen om vergoeding voor een tweede behandeltraject aan te vragen met goede onderbouwing bijgeleverd. Let wel, dit dient vaak wel aangevraagd te worden vóórdat de patiënt weer in behandeling komt. Belangrijk dus om aan nieuwe patiënten te vragen of ze al eens gesuperviseerde looptherapie gehad hebben.